Polymyalgia reumatica
Polymyalgia reumatica is een inflammatoire aandoening bij mensen boven de 50 jaar, met pijn en ochtendstijfheid van de schouder- en heupgordel en verhoogde ontstekingswaarden. De aandoening reageert kenmerkend snel op glucocorticoïden, en de belangrijkste valkuil is de nauwe samenhang met reuscelarteriitis.
Op deze pagina bundelt MediaMed het actuele nieuws en onderzoek over polymyalgia reumatica, van de diagnostiek en de differentiaaldiagnose tot de behandeling met glucocorticoïden, het afbouwschema en de plaats van steroïdsparende middelen. Zo blijf je als zorgprofessional op de hoogte van de ontwikkelingen en de richtlijnen.
Alle artikelen in ReumatologieEr zijn nog geen artikelen om te tonen.
Veelgestelde vragen over polymyalgia reumatica
Hoe stel ik de diagnose polymyalgia reumatica?
De diagnose is klinisch: een leeftijd boven de 50 jaar, bilaterale pijn en ochtendstijfheid van de schoudergordel en vaak de heupgordel gedurende minimaal twee weken, en verhoogde ontstekingswaarden (BSE en/of CRP). De 2012 EULAR/ACR-classificatiecriteria ondersteunen, met echografie als optioneel onderdeel. Sluit belangrijke nabootsers uit, zoals reumatoïde artritis, een ontstekingsmyopathie en hypothyreoïdie.
Hoe behandel ik polymyalgia reumatica?
Met glucocorticoïden. De EULAR/ACR-aanbeveling adviseert de laagst effectieve begindosis binnen een bereik van 12,5 tot 25 mg prednison-equivalent per dag, gevolgd door geleidelijke afbouw op geleide van de kliniek en de ontstekingswaarden. Een kenmerkend snelle respons ondersteunt de diagnose; blijft die uit, heroverweeg dan de diagnose.
Waarom is reuscelarteriitis zo belangrijk bij polymyalgia reumatica?
Polymyalgia reumatica en reuscelarteriitis (arteriitis temporalis) hangen nauw samen en komen regelmatig samen voor. Vraag daarom actief naar nieuwe hoofdpijn, kaakclaudicatie, visusklachten en drukpijn over de slaapstreek. Bij verdenking op reuscelarteriitis zijn met spoed een hogere dosis glucocorticoïden en verdere diagnostiek nodig om blijvend visusverlies te voorkomen.
Wanneer overweeg ik een steroïdsparend middel?
Bij recidieven, een moeizame afbouw of een hoog risico op bijwerkingen van glucocorticoïden. De richtlijn noemt methotrexaat als optie; daarnaast is er groeiend bewijs voor remming van interleukine-6. Weeg dit af tegen de comorbiditeit en het te verwachten cumulatieve glucocorticoïdgebruik.