Nieuwsbrief · Reumatologie

Reumatologie januari 2026

In deze uitgave

Online tai chi vermindert kniepijn en verbetert functie bij knieartrose
ReumatologieOnline tai chi vermindert kniepijn en verbetert functie bij knieartrose

De Australische RETREAT-studie onderzocht een zelfstandig te volgen tai chi-programma via internet bij mensen met knieartrose. De interventie duurde twaalf weken en bestond uit video-instructies voor tai chi, aangevuld met een app en educatief materiaal over artrose. In totaal namen 178 volwassenen met klinisch vastgestelde knieartrose deel. Zij werden willekeurig verdeeld over een interventiegroep met toegang tot het tai chi-programma en een controlegroep die alleen informatie over artrose kreeg. De deelnemers waren gemiddeld begin zestig en werden drie maanden gevolgd.

Kniepijn bij het lopen nam in de tai chi-groep sterker af dan in de controlegroep (−2,7 versus −1,3 punten op een schaal van 0 tot 10), met een verschil van −1,4. Ook het lichamelijk functioneren verbeterde sterker: −12,0 versus −6,9 punten op de WOMAC-index (0 tot 68), een verschil van −5,6 punten. Een klinisch relevante verbetering voor pijn werd bereikt door 73% in de tai chi-groep tegenover 47% in de controlegroep, en voor functie door 72% versus 52%. De tai chi-groep scoorde ook beter op secundaire uitkomstmaten zoals kwaliteit van leven, balans, zelfvertrouwen in bewegen en algemeen welbevinden.

Lees verder ›
Netwerkanalyse: PRP meest effectief bij echogeleide injecties voor vroege knieartrose
ReumatologieNetwerkanalyse: PRP meest effectief bij echogeleide injecties voor vroege knieartrose

Een Bayesiaanse netwerk meta-analyse van 14 gerandomiseerde gecontroleerde studies onderzocht de effectiviteit van echogeleide intra-articulaire injecties bij patienten met knieartrose in een vroeg tot matig stadium. In totaal werden 934 patienten met knieartrose (Kellgren-Lawrence graad I tot III) geincludeerd, die allen een injectie onder echogeleide kregen. Vergeleken werden bloedplaatjesrijk plasma (PRP), hyaluronzuur (HA), corticosteroiden (CS), dexamethason, autoloog vetweefsel, ozon en placebo. Alleen studies met echogeleide injectietechniek en WOMAC- of VAS-uitkomsten werden meegenomen. De effectiviteit werd beoordeeld met de Visual Analogue Scale (VAS) voor pijn en de subschalen van de WOMAC-score voor pijn, functie, stijfheid en totaal.

Alle actieve interventies gaven significante symptoomverlichting. PRP scoorde consistent het hoogst op meerdere uitkomstmaten, met SUCRA-waarden van 85,9% voor de WOMAC-totaalscore, 78,6% voor pijn, 93,2% voor stijfheid en 90,9% voor functie. Alleen op de VAS bleef de SUCRA-score lager (41,3%), al bleef PRP ook daar in de top. In directe vergelijkingen was alleen HA statistisch significant beter dan ozon in pijnvermindering.

Lees verder ›
Fase II-onderzoek: nieuwe JAK1/2-remmer effectief en veilig bij actieve RA
ReumatologieFase II-onderzoek: nieuwe JAK1/2-remmer effectief en veilig bij actieve RA

Een gerandomiseerde, dubbelblinde fase II-studie onderzocht de selectieve JAK1/2-remmer KL130008 bij patienten met actieve reumatoide artritis (RA). Aan het onderzoek deden 160 volwassen RA-patienten mee met actieve ziekte ondanks methotrexaatgebruik. Zij werden willekeurig verdeeld over vier groepen: placebo of KL130008 in doses van 0,5, 1 of 2 mg per dag, waarbij alle patienten methotrexaat bleven gebruiken in een stabiele dosering. De behandeling duurde 24 weken en de belangrijkste uitkomstmaat was het behalen van een ACR20-respons na 12 weken. Na 12 weken bereikte 64,1% van de patienten in de 2 mg-groep een ACR20-respons, tegenover 26,8% in de placebogroep (p = 0,001).

Voor 1 mg was dit 55,0% en voor 0,5 mg 47,5%. Ook ACR50- en ACR70-responsen waren hoger in de behandelde groepen; zo behaalde 38,5% in de 2 mg-groep een ACR50 tegenover 4,9% onder placebo. De DAS28-scores verbeterden eveneens significant, en meer patienten bereikten een lage ziekteactiviteit of remissie volgens DAS28-CRP. Deze verbeteringen gingen gepaard met dalingen in TNF-α en IL-6, terwijl IL-15 onveranderd bleef.

Lees verder ›
Machine learning onthult PsA-profielen met goede respons op risankizumab
ReumatologieMachine learning onthult PsA-profielen met goede respons op risankizumab

Met behulp van machine learning analyseerden onderzoekers gegevens uit twee fase 3-studies (KEEPSAKE 1 en 2) om klinisch herkenbare patientprofielen van psoriatische artritis (PsA) te identificeren en de behandelrespons op risankizumab tot vier jaar te evalueren. De analyse omvatte 1119 bDMARD-naieve patienten met actieve PsA die tot maximaal vier jaar met risankizumab werden behandeld. Voor de indeling werd een unsupervised machine learning-techniek gebruikt, een zogeheten finite mixture model, waarmee patienten automatisch werden gegroepeerd op basis van klinische kenmerken bij baseline zoals gewrichtsaantasting, dactylitis en enthesitis.

Deze aanpak onderscheidde vijf fenotypes: matige tot hoge ziekteactiviteit (40,3%), enthesitis- en grote-gewrichten-dominant (20,8%), zeer hoge ziekteactiviteit (14,0%), hand-dominant (13,8%) en dactylitis- en voeten-dominant (11,1%). De effectiviteit werd beoordeeld op basis van het bereiken van Minimal Disease Activity (MDA) en Low Disease Activity volgens de DAPSA-score. Na vier jaar liet risankizumab effectiviteit zien in alle fenotypes: het percentage patienten dat MDA bereikte varieerde van 42,9% tot 58,8% en voor DAPSA LDA van 66,0% tot 82,0%.

Lees verder ›
Genetisch bewijs: verzadigde vetten verhogen risico op artritis psoriatica
ReumatologieGenetisch bewijs: verzadigde vetten verhogen risico op artritis psoriatica

Een twee-sample Mendeliaanse randomisatiestudie onderzocht of genetisch voorspelde bloedspiegels van voedingsstoffen samenhangen met het risico op artritis psoriatica (PsA). De onderzoekers gebruikten genetische varianten die samenhangen met het niveau van 25 voedingsstoffen in het bloed, waaronder vetzuren, vitamines en mineralen. De analyse werd uitgevoerd in twee grote cohorten: de FinnGen-studie (3537 PsA-patienten en 262.844 controles) en een validatiecohort van 5065 PsA-patienten en 21.286 controles, samen ruim 550.

000 Europeanen. Door de resultaten in een meta-analyse te combineren konden de onderzoekers robuustere conclusies trekken. De belangrijkste bevinding was dat hogere genetisch voorspelde niveaus van verzadigde vetzuren het risico op PsA met 14% verhoogden (OR 1,1407; p = 0,0347) en dat linolzuur, een omega-6-vetzuur, dit risico met 15% verhoogde (OR 1,1536; p = 0,0119). Voor geen van de andere onderzochte voedingsstoffen werd in de gecombineerde analyse een significant verband gevonden.

Lees verder ›
TNF-remmers verhogen infectierisico, maar verlagen cardiovasculair risico
ReumatologieTNF-remmers verhogen infectierisico, maar verlagen cardiovasculair risico

Een grootschalige umbrella review van twaalf meta-analyses onderzocht de veiligheid van TNF-α-remmers bij reumatoide artritis (RA). De onderzoekers bundelden resultaten van eerder gepubliceerde meta-analyses met in totaal tienduizenden RA-patienten, waarbij de behandelduur varieerde van enkele maanden tot meerdere jaren. Patienten die TNF-remmers gebruikten werden vergeleken met controlegroepen zonder deze medicatie. Het belangrijkste negatieve effect was een verhoogd risico op ernstige infecties, met een odds ratio van 1,63 (95%-BI 1,31 tot 2,04; p < 0,001), wat wijst op een 63% hogere kans.

Dit risico leek consistent verhoogd, ongeacht de duur van de behandeling of het type TNF-remmer. Tegelijkertijd werd een beschermend effect gevonden op hart- en vaatziekten: het risico op cardiovasculaire events was verlaagd (RR 0,60) evenals het risico op myocardinfarcten (RR 0,75). De cardiovasculaire voordelen waren het meest uitgesproken bij langdurig gebruik. Ook de insulineresistentie verbeterde bij gebruik van TNF-α-remmers (SMD −0,82), wat wijst op een mogelijk gunstig effect op het metabool profiel.

Lees verder ›
Biosimilar AVT05 even effectief en veilig als golimumab bij matig-ernstige RA
ReumatologieBiosimilar AVT05 even effectief en veilig als golimumab bij matig-ernstige RA

Een fase III-studie onderzocht of het biosimilaire middel AVT05 even effectief en veilig is als het referentieproduct golimumab (Simponi) bij patienten met matig tot ernstig actieve reumatoide artritis (RA). Aan de studie namen 502 patienten deel die allen gelijktijdig methotrexaat gebruikten. De studie was dubbelblind en werd uitgevoerd op 36 locaties in Europa. Patienten werden willekeurig verdeeld over twee behandelgroepen: een groep kreeg AVT05 en de andere het referentiemiddel.

Beide middelen werden elke vier weken subcutaan toegediend in een dosering van 50 mg, en de randomisatie werd gestratificeerd op basis van ziekteactiviteit (DAS28-CRP van ten hoogste 5,1 of hoger). Het primaire eindpunt was de verandering in DAS28-CRP na 16 weken. Na 16 weken was de afname in DAS28-CRP −2,89 in de AVT05-groep en −2,98 in de referentiegroep. Het verschil tussen beide groepen (0,09; 95%-BI −0,07 tot 0,25) viel binnen de vooraf vastgestelde marges voor gelijkwaardigheid.

Lees verder ›
CAR-T-celtherapie veelbelovend bij refractaire SLE en lupusnefritis
ReumatologieCAR-T-celtherapie veelbelovend bij refractaire SLE en lupusnefritis

Een overzichtsstudie beschrijft CAR-T-celtherapie als mogelijke nieuwe behandeloptie voor patienten met ernstige auto-immuun reumatische ziekten (ARD's) zoals systemische lupus erythematosus (SLE) en lupusnefritis. De therapie is gericht op het uitschakelen van schadelijke B-cellen, die een sleutelrol spelen in de ziekteprocessen bij SLE en aanverwante aandoeningen. Bij CAR-T-celtherapie worden afweercellen van de patient genetisch aangepast, zodat ze deze B-cellen doelgericht kunnen opruimen. De onderzoekers analyseerden 56 klinische studies naar CAR-T-celtherapie bij ARD's, waaronder SLE, lupusnefritis, reumatoide artritis en systemische sclerose.

De meeste studies bevonden zich nog in een vroege fase: 64,3% was een fase I-studie en slechts vier studies bereikten fase II. Het ging meestal om kleine cohorten van 6 tot 75 deelnemers, verspreid over China, de Verenigde Staten en enkele Europese landen. SLE was de meest onderzochte indicatie met 615 deelnemers, gevolgd door lupusnefritis met 462 deelnemers. In 89,3% van de studies werd gebruikgemaakt van autologe CAR-T-cellen, terwijl allogene therapieen met donorcellen nog in de kinderschoenen staan.

Lees verder ›